Rotterdam, 26 januari 2025
Lieve Justine,
Hoe gaat het met je? Ik hoop dat je weer veilig thuis bent in Brisbane, ‘down under’. Willem en ik waren blij dat je tijdens je reis naar Europa drie weken bij ons thuis hebt gelogeerd, terwijl wij wegwaren naar Vuurland – ook een ‘down under’. Het voelde goed dat ons huis niet leeg en verlaten was.
Ik vind het jammer dat we elkaar niet persoonlijk hebben ontmoet: je arriveerde tien dagen nadat wij waren vertrokken, en bij onze terugkeer was jij alweer weg, je wilde “nog een paar dagen Parijs tussen”. We zijn elkaar net misgelopen….
We ‘ontmoetten’ elkaar alleen via Facetime: ochtend in Brisbane, avond in Rotterdam – of andersom? Deze digitale ontmoetingen gaven me een indruk van je bruisende persoonlijkheid: het kleine schermpje van mijn handy ontplofte bijna. “Dat moet wel een leuk mens zijn”, concludeerde ik, ” als gast in ons huis achter DE RUIT.”
Je wilde daar meteen alles over weten, dus legde ik het concept uit. Je besloot er ‘iets’ voor te maken. Op dat moment hadden noch jij, noch ik enig idee van wat het zou worden. Je hebt van je verblijf hier een korte artist residence gemaakt. Dat is waar het bij DE RUIT om gaat: een projectruimte voor kunstenaars, een experimentele speeltuin!
Terug thuis
Eenmaal op de stoep, totaal versuft en met een jetlag na onze topsy-turvy terugreis van Ushuaia via Buenos Aires naar Schiphol en Rotterdam, zagen we meteen wat je hier gemaakt had: niet te missen!
Natuurlijk had je ons al foto’s en video’s gestuurd – waar zouden we zijn zonder WhatsApp? Maar nú alles ‘live’ en ‘in het echie’ zien: dat was iets heel anders!
Een etalage?
Jij hebt van de glazen gevel van DE RUIT een etalage gemaakt. “Is dit hier tegenwoordig een modezaak?” vroeg een voorbijganger. En inderdaad: de nieuwste trend – ‘make do’.
Een fragiel kersttafelkleed, vol gouden sterren, omgetoverd tot een soort cape door in de delicate fleece stof grove gaten te knippen voor armen en nek. Een rekwisiet tijdens een van je performances hier. Je droeg dit geïmproviseerde kledingstuk en stond ermee parallel aan het raam, ritmisch mysterieuze klanken zingend: een priesteres?
Daarnaast bungelde een ‘kostuum’ van zilverglanzende isolatiefolie uit een bouwmarkt langs de snelweg, in vorm gebracht met zwarte tape, schijnbaar lukraak, maar met een volumineuze torso, reusachtige armen – of waren het mouwen? – en lange, sterke benen, en een soort nek – of was dat een kraag? Maar: deze Zombie-achtige reus had geen kop… Dit bouwsel, bijna zo hoog als het plafond, als een reus-achtige ballon, liep nu leeg, zakte in elkaar, de knieën niet langer in staat om de romp te dragen, de eens zo machtige armen nu slap en krachteloos, leeg omhulsel zonder spieren.
In jouw video zit dat pak vol ‘jou’. Rechtop staand, voorovervallend, zittend op handen en knieën – en wild gebarend. Volgens mij waren deze bewegingen niet zorgvuldig gechoreografeerd, maar geïmproviseerd, ‘making do’.
Boccioni / McCarthy / Rodin / Zadkine – en jij
In het boek over je eerdere projecten dat je achterliet op onze tafel vond ik een afbeelding van Umberto Boccioni’s sculptuur Forme uniche della continuità nello spazio (1913). Een gestalte uit assief brons, maar heel dynamisch en beweeglijk: hij heeft nauwelijks een samenhangende vorm. Voorloper van jouw meer-dan-levensgrote zombie? Op Instagram postte je een foto van jou en je dochter aan de voeten van Paul McCarthy’s gigantische en licht absurdistische SantaClaus (2008); (Rotterdammers hebben het over ‘Kabouter Buttplug’. Ik kan me goed voorstellen dat je erdoor geïntrigeerd was. Ik hoop dat je, daar vlakbij, ook L’Homme qui marche (ca. 1900) van Auguste Rodin hebt gezien: een assemblage van een mannenlijf, met daaronder een stel benen die hij al eerder had gemaakt voor een Johannes de Doper. Geen armen, geen hoofd; krachtig lopend, stevig stappend, net als de dynamische futurist van Boccioni, maar gevangen op een hoge granieten sokkel, hoog boven je. Heb je ook het beroemdste Rotterdamse beeld in de openbare ruimte bewonderd: De verwoeste stad, ‘Jan Gat’ voor Rotterdammers, van Ossip Zadkine (1953). Ook een mannenfiguur, in brons: zijn plompe benen gekromd en verwrongen, zijn hoofd en forse kubistische armen reikend naar de hemel, en zijn torso wagenwijd opengesneden: een gat waar het hart zou moeten zitten… ‘De Zadkine’ (zijn tweede bijnaam) is het monument van het bombardement op Rotterdam in 1940, dat het stadscentrum met de grond gelijk maakte.
Vier bronzen beelden – het jouwe van dunne isolatiefolie. En toch: allemaal symbolen, onmiddellijk herkenbaar, van hun tijd.
Making Do Rhymes with Poo
Een intrigerende titel! Vijf woorden, gewone woorden, beetje ondeugend (die ‘poep’). Toen ik ze voor het eerst las in je Whatsappjes vroeg ik me af hoe ik ze moet interpreteren.
Het centrale woord is ‘rijmen’: is dat een zelfstandig naamwoord, het meervoud van ‘een rijm’, of eerder een werkwoord: ‘rijmen’, d.w.z. woorden laten rijmen, zoals bij gedichten of liedjes?
Het antwoord op die vraag heeft gevolgen voor de syntaxis van de zin: hoe deze op te delen? En dat beïnvloedt weer de betekenis ervan.
‘Making Do Rhymes – with Poo’, óf ‘Making Do – Rhymes with Poo’?
In het eerste geval gaat het over rijmpjes over ‘making do’ (= improviseren), en die dan niet zijn opgeschreven met inkt, maar met ‘poep’?
Bij de tweede optie gaat het over het begrip ‘making do’ (= improviseren), dat dan zou rijmen met het woord ‘poep’.
Astrid Moors, die de volgende presentatie bij DE RUIT maakte, suggereerde zelfs dat jouw ‘Poo’ klinkt als ‘Pooh’: heeft hij soms een handje geholpen, of heb je geschreven met Winnie naast je?
Is dit allemaal enkel taalkundig gedoe? Over ófwel het een, dan wel het ander, en dan de enig juiste mogelijkheid te kiezen, de ‘juiste’ interpretatie? Ik ben me er volledig van bewust dat dit soort haarkloverij totaal overbodig zou kunnen zijn; dat jij je titel opzettelijk dubbelzinnig hebt gemaakt: spelen met taal, en zo ontsnappen aan vooraf bepaalde eenduidigheid.
Dat zou dan perfect in overeenstemming zijn met je artistieke persoonlijkheid, de essentie van al je projecten – voor zover ik die goed heb geïnterpreteerd.
Artistieke persoonlijkheid
Zoals gezegd: ik kende jou en je eerdere projecten niet. Je boek: een uitbundig gekleurde cover, en een stortvloed aan kleur op de binnenpagina’s. Het is me meteen duidelijk dat jij als kunstenaar geen minimalist of conceptualist bent, en dat jij in je projecten niet ingaat op hedendaagse sociale kwesties – ook al lijken ze ernaar te verwijzen, zij het misschien ‘vanaf de zijlijn’. Ik zie dat terug in je meer recente projecten die ik vond via Instagram. ‘Making Do…’ is een goed voorbeeld.
Dit is het tijdperk van schijnbaar grenzeloos neoliberaal consumentisme: kant-en-klare producten, de meeste voorgekookt, uniform en niet-individualistisch, slecht gemaakt, trendy & modieus, maar met een zeer beperkte levensduur en relevantie; dan worden ze weggegooid (of misschien hergebruikt, of op de markt gebracht als ‘vintage’), en vervangen door steeds ‘nieuwe’ items: het begin van een nieuwe cyclus – de commerciële show must go on! Dit alles is een totale verspilling van grondstoffen en energie, waardoor geld van uit de handen van gewone mensen terechtkomt in de klauwen van de ‘greedy few’. Nog erger, vind ik, dan deze ecologische en economische aspecten is het rampzalige effect dat dit heeft op het vermogen van mensen-als-consumenten om hun eigen creativiteit en verbeelding te ontwikkelen, hun fantasieën, het vermogen om te improviseren, zelf iets te verzinnen en dát dan te maken.
Tegenwoordig willen kinderen kant-en-klare LEGO: schepen, vliegtuigen, raketten of raceauto’s, met allemaal gespecialiseerde onderdelen, én met de ‘juiste versie’ in de handleiding [bizar woord, als je erover nadenkt – de ‘hand’ moet ‘geleid’…]. Zo heel anders dan de generieke, simpele steentjes die wij vroeger hadden om er huizen, kastelen en ‘auto’s’ mee te maken.
Making Do with Poo
Godzijdank kunnen kunstenaars laten zien hoe je kunt improviseren, zelf iets kunt maken met ‘niets’, dingen opnieuw kunt uitvinden: op een rotsblok zitten tijdens het kamperen, een plank met een gat en een emmer eronder als plee, met daaromheen wandjes uit afgedankte pallets, of die gebruiken voor geïmproviseerde tafels, bureaus, stoelen en banken, chaise longues of bedden, of BBQ-aanrechten. Heruitvinden, opnieuw gebruiken, nieuwe betekenis geven aan gegeven materialen, restjes: textiel, papier en bouwmaterialen, woorden en rijmpjes, mythen en oude theaterteksten, melodieën en deuntjes en stemmen, bewegingen. Improviseren, net doen alsof, lekker klungelen, ‘making do’ rijmt niet alleen met ‘poo’, maar ook met Thank Yoo!
Guus
(DeepL)