Roland Sohier. De Afdaling, 28 oktober 2022

Roland Sohier bij DE RUIT

Roland Sohier tekende De Afdaling  met een decoupeerzaag. Daarmee sneed hij uit platen honingraatkarton rauwe, rafelige vormen met dik aangezette zwarte countourlijnen. Die stukken plaatste hij soms naast elkaar, soms ook voor en achter elkaar, als in een reliëf. 

Als kijker sta je oog-in-oog met twee levensgrote jonge mannen, pal naast het Inferno; boven alles uit hangt een dreigende reuzekop. Een horror scene, ontleend aan Dante’s Divina Commedia uit 1320. Zo levert Sohier zijn commentaar op de actualiteit van nu: ook wij staan aan de rand van een afgrond.

AFDALING

Twee mannen. Jonge mannen, zo te zien, eigentijds gekleed, casual: jeans, T-shirts. Zij achter het glas van DE RUIT; wij, kijkers op het trottoir, pal naast hen. We kijken hen recht in het gezicht; zij hebben de blik iets afgewend – hebben ze ons eigenlijk wel in de gaten? Hun armen wijd uitgespreid: omhelzen ze elkaar? houden ze elkaar vast? zijn ze bang wellicht? Om hen heen, achter hen, een reusachtige hand: even groot als die twee jongens, net zo groot als wij. Niet duidelijk is wat die hand doet: pakt die hen op, of zet die hen juist neer? In ieder geval een teder en liefdevol gebaar.

Die twee jongens: waar kijken ze naar? Hoe ervaren ze de situatie?

De jongen rechts zweeft ietsje boven de grond, lijkt het. Over zijn borst een reuzenduim. We kunnen zijn blik niet heel precies lezen, want hij lijkt naar beneden te kijken – naar die duim, of naar de grond? Zijn linker arm uitgespreid, zijn hand open, zijn vingers grijpen in de leegte; is hij bang vermorzeld te worden? Zijn rechter arm ligt op de schouder van zijn vriend: ook dit een gebaar van angst, of juist van bescherming? Of wijst hij de weg?

De jongen links kijkt enigszins opzij. Zijn linker arm omarmt, zijn rechter hangt naar beneden – berustend, lijkt het. Achter hem die reusachtige vingers van die reusachtige hand – een haast teder gebaar. Zijn voeten staan op de grond, hetzelfde vlak waar ook wij kijkers staan.

Die twee jongens, en wij kijkers: staan wij daar nóg en worden we zo opgetild – of staan we er nu pas net, net daar neergezet? Het is nogal een plek: INFERNO, staat er – de hel.

Dante, Vergilius en Antaeus, en Roland Sohier, 12 mei 2022

Boven ons uit torent een reusachtige kop, aan een buitengewone hals, gigantische schouders, immens lijf waarvan we maar een deel zien, en – dan weer naar links onder – een machtige rechterarm, uitmondend in die kolossale hand met, nietig daarin, die twee jongens – en wij? Je kunt het beeld ook andersom lezen: van waar wij staan, linksonder, via arm en hand naar rechtsboven, en van daaruit naar die kop – die naar beneden kijkt: naar die jongens, naar ons – pal naast dat inferno… Van binnen ziet het er weer heel anders uit: met de kijkrichting mee wordt je oog eerst naar rechts beneden geleid – naar die twee spartelende jongens, en tegelijk naar rechtsboven, naar die reuzen-kop boven hen uit, en bijna uit het kozijn-frame barstend.

Die reuzenkop geeft het geheel iets dreigends: die opengesperde ogen, die tong uit de reuzenmond.. waar doet me dat toch aan denken? En ineens weet ik het: Guernica, van Picasso… Nu herken ik ook die jongemannenhanden met uitgespreide vingers, dat zwart/wit, dat haast getekende, dat reuzenformaat van de voorstelling, dat bijna uit het frame barst…

Dat frame wordt gevormd door de kozijnen van de glasgevel van DE RUIT, die de voorstelling omkaderen én doorsnijden, en die tegelijkertijd de maat aangeven: onze maat, de maat van ónze wereld. Is die een Guernica – inferno? Wat bedoelt Roland Sohier?

Pablo Picasso. Guernica, 1937

ANTAEUS

Roland Sohier: “Die twee jonge mannen – dat zouden jullie kunnen zijn, aan de rand van een inferno, of ook de kijkers op straat… Je zou die twee ook kunnen lezen als Dante en Vergilius, vlak voordat ze afdalen in de negende cirkel van de Hel”.

Een scene uit de Divina Commedia, van de Italiaanse dichter Dante Alighieri. Dante, naast de auteur ook een van de hoofdpersonen, daalt daarin af in het Inferno (de hel) om daarna via het Purgatorio (het vagevuur) omhoog te klimmen naar het Paradiso – naar zijn geliefde Beatrice. Dante onderneemt die tocht aan de hand van de klassiek Romeinse dichter Vergilius – zijn Grote Voorbeeld. Die ‘commedia’ is niet een tekst om eens even goed om te lachen, maar een verhaal dat uiteindelijk goed afloopt, in tegenstelling tot een ‘tragedia’ Dante schreef het in de vroege 14e eeuw, het begin van de Italiaanse Renaissance. Ook nu nog  zou iedereen die Commedia moeten kennen, vindt Roland Sohier. Je kunt het lezen als één grote allegorie op het menselijk bestaan. Dante schreef het “Halverwege onze levensreis”; hij bevond zich toen “[…] in een somber woud, want ik was afgedwaald van het rechte pad.” Hij moet zijn eigen leven, en de wereld onder ogen zien.

Afdalend in de helleput komen Dante en Vergilius oog in oog met allerlei slechteriken en misdadigers: zowel uit de antieke mythen en sagen, alsook uit het recente verleden en uit Dante’s eigen tijd. Vergilius had destijds die mythen al opgeschreven; ook daarom is hij Dante’s leidsman. Ze komen ook Antaeus tegen, de zoon van Gaia (de Aarde) en Poseidon (de Zee) – een reus. Hij buigt zich voorover en pakt Vergilius en Dante op; die is doodsbang, dus Vergilius pakt hem stevig vast tot ze, schrijft Dante, één bundel worden. “Ik stond gespannen het moment af te wachten dat Antaeus voorover zou buigen. Mijn angst was zo groot dat ik graag een andere weg had genomen. Maar zachtjes zette hij ons neer in de diepte. En nadat hij daar even gebogen was blijven staan, richtte hij zich weer op precies als de mast van een schip.”[1] Horror-scène. Precies dát moment laat Roland Sohier ons hier zien.


[1] geciteerd uit: Dante Alighieri De goddelijke komedie. vertaald, ingeleid en toegelicht door Frans van Dooren. Baarn, Ambo, 1987; canto XXXI, p. 157

Roland Sohier in de tentoonstelling ‘Sohier-Sodaar 70 jaar’, Centraal Museum Utrecht 2020 (c) CMU / Adriaan van Dam

ROLAND SOHIER

Roland Sohier (Amsterdam, 1950) is rastekenaar, al jaren. In 1978 won hij de Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst – als tekenaar! Zijn werk is heel figuratief, vaak spelen mens-achtige wezens de hoofdrol. In zijn atelier bestudeert hij menselijke bewegingen aan de hand van dansende modellen – heel klassiek. Vanuit zijn schetsboek laat hij grootschalige tekeningen ontstaan: klare lijnen – om contouren te definiëren, soms ook om volume te suggereren. Vaak enkel zwart/wit, hier en daar ingevuld met voorzichtige, vlakke kleuren.

In 2020 – Sohier werd 70 – presenteerde hij in het Centraal Museum in Utrecht dergelijke grootformatige doeken, liggend formaat. Ik zag vrouwelijke wezens, vaak wonderlijk samengesmolten – met bijvoorbeeld drie borsten, vijf benen, twee hoofden – zwevend op een helder vlak, zonder horizon of andere aanduiding van aardse diepte. Absurde elfen haast.

Sohier is gefascineerd door reus-achtige wezens; al decennia lang duiken ze op in zijn werk. Ze hebben meestal iets goedmoedigs. In het atrium van het belastingkantoor in Apeldoorn tekende Sohier een zittende jongeman, een paar verdiepingen hoog. Nietig-kleine mensfiguren klauteren met ladders tegen hem op. Het blijkt Gulliver, uit de gelijknamige roman van Jonathan Swift uit 1726.

Roland Sohier. Gulliver in Apeldoorn, 2004 (houtskool en pastel op stuc; 10 x 5 meter)

Sohier laat zich ook inspireren door eeuwenoude mythen. Hij gebruikt ze als metaforen voor alledaagse gebeurtenissen; zo krijgen die mythen een weidsere zeggingskracht. “[…] met die metaforische verbeelding bevestigt hij zijn politieke, sociale en culturele ongemak met ontwikkelingen in de wereld waar hij in zijn persoonlijk leven machteloos tegenover staat, behalve als kunstenaar. In zijn tekeningen is Roland Sohier aan de macht en houdt niemand hem tegen.” Aldus Alex de Vries recentelijk over Sohier.[1]

Via die mythen-als-metaforen presenteert Sohier zijn persoonlijke reactie op wat hij ziet gebeuren in de wereld-van-nu: dat maakt hem een lyrisch-epische kunstenaar. Heel anders dan veel Rotterdamse kunstenaars, die vaak veel zakelijker, meer conceptueel werken. Sohier woont en werkt in Utrecht – nu eenmaal een stad met een andere sfeer dan Rotterdam. Vaak relativeert Sohier zijn beeld met de knipoog van het absurde. (meer op www.rolandsohier.nl)


[1] ontleend aan ‘Roland Sohier’ in: Weten wat je ziet. Dertig atelierbezoeken door Alex de Vries. Mister Motley/Uitgeverij De Zwaluw, 2022; pp. 148-153

DE AFDALING

Sohier’s Afdaling bij DE RUIT is een monumentale tekening. Ruim vijf meter breed, en drie-en-een-halve meter hoog, nauwelijks passend in de glaspui:  die is Sohiers beeldvlak.

Roland Sohier in zijn atelier, mei 2022: “zagen, zagen”

Niet dat hij erop tekent. Hij zet stukken honingraatkarton tegen het glas, in vorm gesneden met een decoupeerzaag, dus met wat rafelige randen. Die zijn dik aangezet in vet zwart. De vlakken, vaak meerdere lagen over elkaar, zijn wit geschilderd. Je kunt je afvragen of dit tekening is, of reliëf. De voorstelling heeft in ieder geval volume, een zekere zwaarte. Niet mis te verstaan.

Roland Sohier. De Afdaling, 2022 (detail)

William Blake. Antaeus, 1826

Antaeus dus, uit de Goddelijke Commedia, en Dante en Vergilius – veel kleiner dan hij, maar even groot als wijzelf – aan de rand van Inferno. De voorstelling blijkt losjes gebaseerd op een soortgelijk beeld van William Blake uit 1827. Ook daar Dante en Vergilius vlak naast de afgrond, nietig in de hand van Antaeus. Die is  bij Blake veel serener dan bij Sohier: acrobaat in een sierlijke salto – haast gewichteloos. Ook is zijn blik verstild en kalm – heel anders dan de verwrongen Guernica-kop bij Sohier. Vergelijkbaar is het gebaar van Antaeus’ hand: niet angstaanjagend, maar zacht en zorgzaam. Uit voorstudies blijkt dat Sohier dat gebaar uitvoerig uitgeprobeerd heeft: die reus-achtige vingers rondom ons, nietige mensjes…,

Toch komt Sohier’s Antaeus ook nogal dreigend over: Blake’s Antaeus zou bij HET PLAFOND nog elegant boven je hoofd hebben kunnen zweven, maar Sohier’s Antaeus bij DE RUIT zit gevangen binnen de glaskozijnen. Wat als hij zich zou oprichten, boven ons uit torenend, ons verpletterend? Kijk dan toch, roept Roland Sohier: Gaia leeggeplunderd, Poseidon vergiftigd, wolken stikstof, dreiging van kernbommen, scheldende parlementariërs, schappen leeg en energie op. Alle ‘normaal’ valt stil.

En daar sta je dan – op het trottoir: aan de rand van Inferno?

Guus Vreeburg/Rotterdam; 20221012